‘Vrijgezel ben ik, na 34 jaar…?!’ De gezichtsuitdrukking van de man in de marktkraam tegenover mij is een combinatie van verbazing en verloren voelen. ‘Zo te zien is het je overkomen?’ probeer ik voorzichtig.

Een maand geleden oppert Vriendin om op Koningsdag op een markt te gaan staan met mijn Bengels*, armbanden, ansichtkaarten en olieverfschilderijen. ‘Leuk plan, maar ik ga écht niet op een kleedje zitten. Dus als jij een leuke markt weet op een plek waar mensen ook nog wat te besteden hebben dan hoor ik het wel’. Een dag later vind ik in mijn mailbox de link naar de markt in Laren. Eenmaal aangemeld heb ik nog vier weken de tijd, lang genoeg voor de voorbereidingen. Maar dan wordt het ineens druk in mijn tekstbedrijf. Fijn druk, maar toch. En de marktmeester is – zacht uitgedrukt – niet van de communicatie. Drie mails heb ik nodig om 4 dagen voor de markt de factuur te ontvangen, het kraamnummer komt pas een middag tevoren.

Alle drukte in de laatste week is goed voor lange dagen en korte nachten. Overdag werk en na het eten tot tenminste middernacht voor de hobby. Maar het lukt. Donderdagavond slaap ik bij Vriendin in Hilversum, de volgepakte Taxi voor de deur.

We treffen het op de markt met leuke ‘buren’. Verse koffie en tosti’s aan de ene kant en tegenover ons een kraam met merkkleding tegen een fikse korting. Het is droog maar fris, uitstekende condities om kleding te willen passen. Het is een grappig gezicht; de twee verkopers hijsen zich steeds in een andere outfit. En geloof het of niet, wat ze aanhebben verkopen ze. We krijgen er nog meer schik in, als naast de verkoper nog twee mannen tegelijkertijd dezelfde visgraatjas passen. ‘Zitten ze daar straks op een frisse zomeravond met allemaal dezelfde jassen op dat chique terras’ grapt Vriendin.

Intussen genieten we van de bonte stoet voorbijgangers, die zonder uitzondering moeite hebben gedaan zich eens lekker uit te dossen voor deze dag. Het voelt alsof we op de set van ‘Hoe heurt het eigenlijk’ toeven.

Achter in de kraam van de overburen zitten een paar mannen lekker op een paar tuinstoelen in een klein streepje zon. Het zijn kennissen van de verkopers. Al een paar keer is de hoofdkoopman op een rustig moment overgestoken voor een kletspraatje. Ik vind nog wat lekkers en breng een tegenbezoek. Zo kom ik terecht bij de mannen achter in de kraam aan de overkant. We grappen wat over ‘snoepen en gewicht’. De man van de openingsquote vist als eerste een bounty uit het zakje. Mijn voorzichtige reactie dat het klinkt of de scheiding hem overkomen is wordt met zo’n gretigheid beantwoord dat ik zeker weet hier nog zeker tien minuten te zullen staan. ‘Dan maar een interviewtje’ denkt de Carmiggelt in mij. De man heeft niet veel nodig. ‘Weet je, we praatten nooit. Nooit! Daarom weet ik nog steeds niet waaróm. Zij is nog alleen. Ik ben nog alleen. Zij piept dat haar huis te klein is, terwijl ik naast de twee kamers die ik gebruik er nog veertien leeg heb staan’. Ik probeer niet verbaasd te kijken, ik ben tenslotte in het Gooi en heb vanochtend zowel Marco Borsato als Victor Reinier in het wild voorbij zien komen. Maar dit is pas het begin.

‘Ik ben zesenvijftig en zie heus wel andere vrouwen, maar ze zijn het gewoon allemaal niet. Te dom, te verwaand. Of ze kunnen niet koken, hebben geen humor. Ik wil gewoon met háár, heb haar een vakantie naar Bali aangeboden maar ze wil gewoon niet’. In zijn ogen lees ik dat hij het echt niet begrijpt. ‘Jij moet je niet zo opdringen, dat willen vrouwen niet’ zeggen ze dan tegen mij. Maar wat moet ik dan? Zonder af te wachten of ik de gouden tip voor hem heb begint hij een verhandeling over mannen en vrouwen en zand dat tussen zijn vingers door glipt als hij erin knijpt. Zo komen we er niet, ik besluit de litanie om te buigen. ‘Zeg, al die mooie eigenschappen die je jouw ex toedicht, heb jij haar dat weleens gezégd?’, vraag ik brutaal. ‘Nee, want we praatten nooit’. ‘Dan zou ik daar maar eens mee beginnen’ kaats ik de bal terug. ‘Ik schat in dat je niet zo’n schrijver bent, maar leg vandaag als je thuis komt een briefje op tafel. Iedere keer als je een woord te binnen schiet dat bij je ex hoort, schrijf je dat op. Als er genoeg woorden staan die zeggen waarom niemand anders aan haar kan tippen is het tijd om een mooie ansichtkaart te kopen. Daar schrijf je al die woorden op. Met één regel eronder: ‘Daarom wil ik niemand anders dan jou’.

Alsof ik hem zojuist een spannend jongensboek heb voorgelezen zegt hij ‘En dan…wat doe ik dan…?!’ ‘Wáchten!’ sommeer ik met een geleerde blik. ‘Jij wilt gewoon teveel. Je blijft maar drammen, terwijl je de simpelste dingen blijkbaar nooit tegen haar gezegd hebt. En nu ze weg is gegaan wil je haar paaien met een reis naar Bali. Zij wil vast geen Bali, ze wil jou horen zeggen wat ze voor je betekent’.

De man slaat me op mijn schouder en zegt dat ik een geweldige vrouw ben. Ik heb het vermoeden dat hij al een paar ‘logen en peuten’ bezocht heeft in de afgelopen maanden. Maar daar, op die chique, gezellige markt in Laren, wordt de nieuwe strategie vergezeld van een bounty ineens overzichtelijk en hoopvol. En een stuk voordeliger;-).

Als ik weer oversteek zie ik mijn rekjes met Bengels eigenwijs en glanzend in mijn kraam hangen. ‘Geluk-met-een-knipoog’ is de subtitel op het Bengel-cadeaukaartje. Toeval bestaat niet.

* Een Bengel is een hanger van glaskralen met ‘omgekeerde, lekker eigenwijze, naar boven wijzende vleugels. Dat levert de subtitel ‘geluk-met-een-knipoog’ op.

 

Geef een reactie