Zo’n vijftien jaar geleden trad ik – niet voor het eerst – in het huwelijk. Wel met meer overtuiging dan de eerdere keren, al is dat vooral iets wat achteraf deze diagnose krijgt. Eén voordeel ten opzichte van jaren daarvoor was dat ik de keuze had om de naam van mijn Lief vóór of áchter mijn meisjesnaam te zetten of helemaal achterwege te laten. Net als hij overigens mijn naam aan de zijne naar eigen voorkeur mocht verbinden.

Met nog vers in het geheugen hoeveel moeite het kostte om de naam van mijn uiteindelijke exen uit diverse administraties te worstelen, koos ik voor de combinatie van mijn eigen naam, gevolgd door die van mijn kersverse eega. Erica van Strien-Hagens werd het. Want iedereen mocht weten dat ik mij verbonden had met mijn Lief. Voor het ‘echie’. Vele jaren later zou Claudia de Breij in haar theatershow woorden geven aan mijn overtuiging. ‘Niemand is van iemand, maar als jij dat wilt ben ik van jou’ (Theatershow 2014 De Teerling, red.).

Vorig weekend vierde onze kleinzoon zijn 12e verjaardag bij de stacaravan op een camping in mijn geboortestreek, in de Kennemer duinen. Het is die dag prachtig weer en ik verheug me er om meerdere redenen op. Onder de genodigden is Sandra, een tante van schoondochter die we al jaren kennen. Op de grote stacaravan-camping zijn tal van activiteiten, afgestemd op een breed publiek. Het is er druk, het verkeer wordt geregeld en het is zoeken naar een plekje op het parkeerterrein. Er blijkt een trouwerij op het strand in volle gang, er is een dagmarkt, het is weekend en bovendien wordt er over enkele uren in een openluchtconcert voorzien met een aantal oer-Hollandse artiesten. De camping heeft tot het begin van de jaren 70 vooral dienst gedaan om ‘de bleekneusjes van Amsterdam’ frisse zeelucht te bieden en wat aan te laten sterken. En nog steeds is het Amsterdamse sfeertje merkbaar en hoorbaar aanwezig.

We worden door kleinzoon-met-fiets opgehaald en lopen naar een staplek met een getal boven de vijfhonderd. ‘Dat is de helft ongeveer oma’, voegt hij er opgewekt aan toe. Als we de meegenomen slingers en ballonnen hebben opgehangen en het grote dierenkleed met bijpassende servetten voor de bioloog-in-spé op de picknicktafel ligt, is het tijd voor de cadeaus. Daarna vertrekt hij met zijn zusje naar de trampoline.

Niet veel later arriveert tante Sandra. Ze is op de fiets, want ze boekte een overnachting in de nabijheid van de camping dit weekend. Kleinzoon fietst haar tegemoet en ik loop richting de marktkramen om even te snuffelen tussen de zomerse gezelligheid.

Net voordat ik het pad naar de markt in wil slaan is hij terug, tante Sandra in zijn kielzog. Ik begroet haar hartelijk, we schelen maar een paar jaar en kunnen het goed met elkaar vinden. De man op de fiets naast haar introduceert ze als haar vriend. Hij steekt zijn hand uit en zegt ‘Arnold Jippes’. Het is een naam die me in deze streek niet vreemd in de oren klinkt. ‘Erica van Strien’ zeg ik terug. Het effect daarvan is zo grappig dat ik er naderhand de slappe lach van krijg. ‘Erica van Strien, Erica van Strien, E-ri-ca-van-Str-ie-n…..uit Heemskerk?!…’ Arnold lijkt mijn naam te ‘proeven’. Hij aarzelt. Maar dan valt ook bij mij het muntje. ‘Arnold Jíppes…..er zat een Jippes bij mij op school (Hester, ook bouwjaar 1961, red.)….nee maar, je bent toch niet dé Arnold Jippes van een paar straten verderop?!’

Nou en óf hij dat is! Dezelfde Jippes als uit mijn lagere schooltijd! Woont tegenwoordig ook in het Noorden van Nederland en is net zo thuis in deze streek als ik.

Voordat ik het pad naar de markt inloop zeg ik tegen Sandra dat hij haar best bewaarde geheim is en beloof beiden straks uitgebreid bij te praten. Nog vol van de bijzondere ontmoeting sta ik bij een marktkraam met een omslagdoek in mijn handen, als de verkoper zijn waren aanprijst. ‘Weet je dat er tegenwoordig weer een hele nieuwe manier is om zoiets te dragen?’. Mijn vrolijkheid kan niet meer stuk vandaag, dus ik laat me verleiden tot een demonstratie. ‘Marinus’ – zoals ik later ontdek – drapeert omzichtig de doek om mijn rechterschouder (‘Voor je ’t weet heb je tegenwoordig een blauw oog mevrouw!’) en draait de uiteinden behendig voor en achter mijn nek langs in een charmante knoop. ‘Ziezo’, zegt hij tevreden. ‘Ook heel handig om ‘m zo te dragen op de fiets, bij tegenwind’.

Ik schater het uit. ‘Man, zal ik je eens wat vertellen, ik héb niet eens een fiets!’ Nu is het zijn beurt om even uit zijn rol te vallen. ‘Zo’n Hollandse vrouw, geen fíets?!’ echoot hij. ‘Waar woon je dan?’. Blijkbaar koppelt hij het gebrek aan een tweewieler aan een onmogelijke omgeving voor zo’n Hollandse vrouw. Mijn antwoord is niet specifiek genoeg. ‘De Flevopolder? Welke stad dan? ‘Lelystad. Maar ik ben in deze streek geboren’.  Droogjes zegt Marinus ook uit Lelystad te komen. Die shawl moet dus mee naar huis.

Terug bij de stacaravan zit mijn Lief al in een geanimeerd gesprek met Sandra en haar vriend. Ik meng me in het gesprek. Of eigenlijk ga ik verder waar ik een half uur eerder was gebleven. ‘Op welke school zat jij dan, hoe heten je zussen ook alweer, leven je ouders nog….’. Mijn Lief snapt er steeds minder van. Hoogste tijd voor de reprise van onze ontmoeting deze middag.

Erica van Strien, Erica van Strien, E-ri-ca-van-Str-ie-n…..uit Heemskerk?!…’

Arnold Jíppes…..er zat een Jippes bij mij op school )….nee maar, je bent toch niet dé Arnold Jippes van een paar straten verderop?!’

What’s in a name….Ooit zei Shakespeare hierover: ‘Ook al zou een roos anders heten, dan zou het nog steeds een mooie, heerlijk geurende bloem zijn’. En dat is natuurlijk zo. Maar ook rozen hebben namen. Om ze te kunnen onderscheiden.

Op de terugweg vraag ik me af wat er gebeurd zou zijn als ik mijn meisjesnaam niet prominent in mijn sociale verkeer had doorgevoerd. Hoe lang zou het geduurd hebben voordat we tot dezelfde ontdekking kwamen als nu binnen 10 seconden? En hádden we het wel ontdekt, of was ik terug gereisd met de vage gedachte dat ik deze Arnold toch ergens van kende…

 

Geef een reactie